Introductie
De wilde yak ziet er qua bouw net zo uit als een rund. Hij is alleen een stuk groter. Een wild mannetje kan wel twee meter hoog zijn! De vrouwtjes zijn een stuk kleiner en een stuk lichter; het mannetje kan wel 1000 kg wegen en het vrouwtje weegt ‘slechts’ 350 kg. De yak heeft een vacht met lange haren die zowat tot aan de grond reiken. Die haren vormen een soort rand rond de schouders, de zijkant van het lichaam en het dijbeen. De staart van de yak heeft ook hele lange haren. De kleur van de vacht is voor het grootste deel donker bruin, met hier en daar zwarte plekken. Deze dikke vacht beschermt de yak tegen de ijzige kou en de sneeuwstormen in het gebied waar hij voorkomt. In juni, de verhaartijd, valt de winterpels in grote plukken uit.
De mannetjes yaks hebben grote, zwarte horens die naar boven zijn gekromd. Deze horens kunnen wel één meter lang zijn. De vrouwtjes kunnen ook horens hebben, maar deze zijn altijd een stuk kleiner. De gedomesticeerde yak die als huisdier wordt gehouden en die in de dierentuinen te zien is, is veel kleiner dan de wilde yak. Hij heeft zachtere horens en kan roodachtig, gevlekt, bruin of zwart van kleur zijn. De poten van de yak zijn lang en ze hebben sterke brede hoeven. Zo is hij goed aangepast aan het leven in moerassige, rotsige streken. De hoeven aan de achterpoten dienen als steun bij het klimmen in het hooggebergte.
![]()

